Amsterdam, 17 november 1999
Paul de Ruijter, David Binnerts en vele anderen
l
Hoe zal Nederland zich in de toekomst gaan ontwikkelen? Iedereen die van Nederland een Kennisland wil maken heeft daar zo zijn eigen beeld van. Dat de wereld steeds kennisintensiever wordt door iedereen beaamd, maar hoe de kennisintensief Nederland zich in de toekomst zal ontwikkelen blijft een vraag. Om de beelden die over deze vraag leven te inventariseren heeft Nederland Kennisland de spraakmakers en beleidsmakers op dit gebied geïnterviewd en is er een scenario-workshop belegd. Daarbij vielen twee zaken op. Ten eerste is er een groot verschil tussen zij die bij Kennisland een "Kennis-economie" verstaan, en anderen die een "Kennis-maatschappij" zien ontstaan. Ten tweede zien sommige van de geïnterviewden een duidelijke noodzaak om vanaf een centraal niveau deze ontwikkeling af te dwingen en te versnellen, terwijl anderen het meer als een autonome ontwikkeling zien, die min of meer "vanzelf" ontstaat door het spontaan samenkomen van allerlei lokale initiatieven. Op deze manier bezien, leven er in Nederland momenteel dus vier verschillende toekomstbeelden over Nederland als kennisland. Namelijk:

In Neo-V.O.C. zagen we dezelfde versmelting ontstaan als in het eind van de 16e eeuw. Politieke bestuurders en zakenlieden kwamen samen om internationaal een dominante economische positie in te nemen. Dit gebeurde zeer hiërarchisch, een club van zeventien heren creëerde een monopolie voor de wereldhandel op de oost. Ook in 2000 waren er heren (en helaas maar weinig vrouwen) aan te wijzen die streefden naar gezamenlijk eigenbelang. Met Duisenberg bij de ECB, Kok in Den Haag en Bolkenstein in de EU en Groenink bij de ABN-Amro was het eenvoudig te voorzien dat Nederland in 2010 een voorname rol ging spelen als financieel "powerhouse" in de wereld. De overheid zorgde voor de juiste condities en liet het hoofd hangen naar de behoeften van het "groot-kapitaal".
Door de vergrijzing was Nederland inmiddels een echte "renteniersland" geworden, dus een dominante oriëntatie op rendement vonden de kiezers niet erg. Nederland was altijd al goed in bulk, dus alle micro-transacties van het internet gebeurden sinds 2002 in Euro, beheerst door een paar financiële instituten in Nederland. Ook de Europese infrastructuren werden gedomineerd door Nederland. Menig kabelnet was in 2005 in Nederlandse handen (lees UPC, Versatel en KPN). Hoewel het geen beleid was, genereerde de enorme economische bloei ook een enorme bloei in de kunst en wetenschap. Dit keer niet gefinancierd door de staat, maar door een nieuw ontstaan particulier mecenaat.
De "ABP-renteniers", zoals de rijke grijzen werden genoemd, hadden alle tijd om zich met name met het puntje van de piramide van Maslow bezig te houden. De virtuele faculteiten kunst-geschiedenis waren overvol, en op menig video-chatbox probeerde een viriele Oma een nieuwe Opa voor haar kleinkinderen te versieren. Maar ook andere generaties zochten volop nieuwe verbintenissen. Op allerlei gebieden ontstonden new communities, en ook in het bedrijfsleven was het langzaam weer bon-ton geworden om de banden met de wereld politiek stevig aan te halen. Op het Net was er dan ook een overvloed aan wat vroeger thee-huisjes en salon bijeenkomsten werden genoemd.
Het belangrijkste politieke onderwerp in die dagen was het openen van de markt voor diensten. Na een vrije kapitaal en goederen markt, moest er nu ook maar een vrije markt op wereldschaal voor diensten komen. Met name de VVD'99 (de fusie van VVD en D'66 waar al in 1999 over gesproken werd) was een warm voorstander voor het openen van de grenzen voor niet-Europese werknemers. Het CPB had immers uitgerekend dat het beter was voor de economie en de grijze golf moest zich toch door iemand laten verzorgen.
Weijers had in de jaren negentig met zijn liberalisatiegolf de basis gelegd voor de grote sprong voorwaarts in de kennis-economie. In Nederland waren er toen al twee organisaties die zich Silicon Polder noemen. Al snel wisten Nederlanders elkaar goed te vinden. Net zoals in vroeger tijden de beurs en de co-operatie ook al typisch Nederlandse uitvindingen waren, om samen te werken. Nieuwe netwerken schoten als paddestoelen uit de grond. Dit scala aan kleine initiatieven groeide in korte tijd uit tot een echte "netwerk economie". In 1999 waren de eerste voorboden daarvan al op talloze plekken te zien: Twinning-centra, Media-Plaza in Utrecht, Media-Park in Hilversum, het Brain-park in Rotterdam en de TOP-regeling in Twente waren allemaal voortrekkers van het zelf-organiserend vermogen. Ook de aanwezigheid en betrokkenheid van grote bedrijven, op het gebied van media (Endemol, HMG) en zakelijke dienstverlening (ING, KPMG) en van belangrijke merken (Unilever, Philips) maakten dat deze netwerken van kleine ondernemers goed konden gedijen.
En toch profiteerde niet iedereen van deze economische dynamiek. Net als in de VS, ons "grote voorbeeld", werd een prijs betaald voor alle innovatie en economische groei. De ICT revolutie bracht ook een digtitalisering van de samenleving met zich mee: een sterk onderscheid tussen zij die goed meekomen, de enen, en zij die buiten de boot vallen, de nullen. Bestaanszekerheid en solidariteit waren geen vanzelfsprekendheden meer en zelfs strijdig met een cultuur waar iedereen met name voor zich zelf verantwoordelijk was. Naast alle succes verhalen van tieners die miljonair werden, waren er eigenlijk veel meer die failliet gingen of dag en nacht moesten ploeteren. En dan waren er ook al diegenen die überhaupt geen speler waren in deze dynamische wereld.
Met de opkomst van het primaat van de economie, verloor de politiek steeds meer aan aantrekkingskracht. Burgers die wel politiek actief wilden zijn, deden dat als consument, investeerder of werknemer. Zij kozen bij voorkeur voor bedrijven als The Bodyshop en Benneton. Collectieve waarden, zoals het milieu en verdraagzaamheid werden konden op die manier een integraal deel van de bedrijfsvoering worden. Zo was er steeds minder reden voor mensen om nog naar de stembus te gaan. De betekenis van instituties zoals gemeenteraden, provincies, ministeries en het Europees Parlement, nam steeds verder af.
Voor de wel sterk aanwezige behoefte aan rust, onthaasting, verbintenis met de natuur en oog voor de mens was geen ruimte.
Na de periode van "werk, werk, werk" kwam er in 1999 een duidelijke ommezwaai in de Nederlandse politiek. "Investeren in de kwaliteit van de samenleving" was het nieuwe motto. De roep om visie werd langzaam ingevuld. Het paarse beleid verloor haar primaire focus op werk en inkomen en kreeg steeds meer een eigen gezicht. Er werd meer geïnvesteerd in onderwijs en zorg, ten koste van investeringen in infrastructuur.
Het onderwijs werd drastisch vernieuwd met een succesvolle invoering van het studiehuis, gesteund met de nieuwste informatie-technologie. Een coalitie van wetenschap, politiek en bedrijfsleven zorgde ervoor dat iedere burger van Nederland verplichte webtoegang krijgt. Iedereen moest via haar of zijn computer winkelen, werken, kontakten leggen, enzovoort. Al was het maar omdat verplaatsing via de weg of spoorweg nauwelijks meer mogelijk was.
Ook de impasse over het referendum werd doorbroken door experimenten met directe democratie. Door de wettelijke verplichting was het percentage deelnemers erg hoog. Op rijks-, provinciaal en lokaal niveau werd de directe democratie omarmd. Iedereen moest meestemmen over álle beleidsvoorstellen. Zelfs in bejaardenhuizen en scholen werd via het Net volop meegesproken over het beleid. Het gevolg was dat in 2010 politieke partijen niet meer bestonden; je stemde op personen als Wim Bosboom, Maartje van Wegen of de teruggekeerde Gümus.
Het werkgelegenheidsvraagstuk loste als vanzelf op, als gevolg van de demografische ontwikkeling: er waren immers steeds meer ouderen en minder jongeren. Zo kon Nederland zich ontwikkelen tot een land van moraliserende intellectuelen.
De behoefte aan "real life experiences" nam een enorme vlucht. Mensen wilden in hun vrije tijd ook wel eens niet achter die computer zitten. De binnenstad van Amsterdam werd tot en met de Prinsengracht gekocht door De Bijenkorf, inmiddels opererend onder de naam Vendex Entertainment. Het warenhuis begon toegang te heffen voor het betreden van het hele gebied en was eigenaar van alle in de binnenstad gevestigde winkels, cafe's , restaurants en overige attracties. De voortschrijdende consolidatie in de entertainment-industrie leidde ertoe dat Vendex Entertainment in 2010 werd overgenomen door Disney Paris.
De opkomst van de "wired society" creëerde haar eigen tegenstroom. Een flinke en groeiende groep uitgeslotenen vestigde zich op het platteland en nam geen deel meer aan de formele productie en consumptie, betaalden geen belasting meer besliste ook niet meer mee over de inrichting van het land. Zij verbouwden hun eigen voedsel en voorzagen ook voor het overige in hun eigen onderhoud. Binnen deze groep ontstond de verzetsbeweging "Het Autarkische Huis". Deze beweging bond mensen die weigerden om de verplichte Netaansluiting te nemen. Onder hen was een kleine groep subversieven die een jaar na invoering van de verplichting tot aansluiting op Het Net een aanslag pleegde op de belangrijkste hub van het land, de TerraPort. De "wired society" kreeg het even lastig, maar overleefde wel. De daders zaten niet op Het Net en het gezag kon er dus ook niet tegen optreden.
Het ging goed met Nederland in 1999. Het economisch succes aan het eind van de jaren negentig werd in de internationale pers toegeschreven aan de Nederlandse overlegcultuur; het poldermodel. En de Nederlanders geloofde die oorzakelijke verklaring graag. Succes, zo werd gedacht, was maakbaar door vooral veel te overleggen. De WRR kwam zelfs met een Poldermodel 2.0 waarin allerlei vormen van toekomst gerichte participatieve besluitvorming werden aangeprezen, vooral met behulp van internet. En de Nederlanders gingen er gretig op in, met als gevolg een totale uitholling van het gezag van gekozen politici.
Het waren de ambtenaren in digitaal overleg met vertegenwoordigers van allerlei belangenclubjes die de dienst uit begonnen te maken. Met als direct gevolg allerlei "consensus" beslissingen waar telkens de kool en de geit gespaard bleven. Schiphol mocht groeien, maar niet 's nachts en de Betuwelijn werd na jaren van vertraging toch gebouwd (in dure tunnels). In 2010 bleek de kennis-samenleving vooral een praatjes-maatschappij te zijn geworden.
De loonmatiging, toch de belangrijkste reden van het succes van het poldermodel 1.0, zette door. Dit had als gevolg dat Nederland het lage lonen land werd van Europa. Er was volop werk, dat wel, maar de Nederlanders werden vooral gezien als de kruiers (koelies) van rijke landen als Finland en Ierland. De laatste twee landen hadden namelijk niet gegokt op een prijsstrategie, maar op innovatie. In 2010 werd het duidelijk dat een complete generatie Nederlanders van school af kwam met een niet meer in te lopen technologische achterstand op landen die wel hadden geïnvesteerd in nieuwe technologie, zoals Singapore, Maleisië, Zuid-Afrika en Ierland. Op de internationale arbeidsmarkt konden Nederlanders niet anders concurreren dan op basis van lage loonkosten; de loonmatigingsstrategie had zichzelf bevestigd.
Om aan de stijgende armoede het hoofd te bieden stimuleerden lokale overheden het gebruik van allerlei digitale vormen lokale valuta zoals Lets en Devi's. Dit was goed voor de ruilhandel van lokale diensten, maar had als gevolg een enorme groei aan BTW-ontduiking. En dit terwijl de BTW na de invoering van het Belastingplan 2001 een steeds belangrijker onderdeel was geworden van de overheidsfinanciering. Een kans om ooit nog bij de snelle economie van de wereld te gaan horen was definitief verkeken.
De kennis-economie bleek achteraf harder dan verwacht. Alleen voor topspelers was er ruimte, even stilstaan bleek fataal.
|
|
||||||||||
|
||||||||||